Een Arubaanse vennootschap (de moedervennootschap) die alle aandelen heeft in een andere Arubaanse vennootschap (de dochtervennootschap) kunnen beiden worden aangemerkt als 1 ondernemer voor de BBO. Het gevolg is dat over de onderlinge prestaties tussen deze vennootschappen geen BBO is verschuldigd. Een fiscale eenheid kan bestaan tussen een moedervennootschap en meerdere (kleine)dochtervennootschappen.
Om te kunnen worden aangemerkt als 1 ondernemer moet u een verzoek indienen. Bij dit verzoek moet u een kopie van het aandeelhoudersregister van de (klein)dochtervennootschappen bijvoegen.
De fiscale eenheid vangt aan met ingang van de maand waarin het verzoek is ingediend om een fiscale eenheid te vormen. De fiscale eenheid eindigt met ingang van de maand waarin niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het aangaan van een fiscale eenheid.
Een (klein)dochtervennootschap kan in de loop van een jaar deel uit gaan maken van een fiscale eenheid. De reeds ten name van de dochtervennootschap uitgegeven aangiftebiljetten BBO moeten nihil worden ingevuld en ingeleverd. In het eerstvolgende jaar zal de (klein)dochtervennootschap geen aangiftebiljetten meer krijgen uitgereikt. De door de (klein)dochtervenootschap(pen) behaalde omzet moet op het aangiftebiljet van de moedervennootschap worden aangegeven.